Konijnen

Het Europese of wild konijn woont in zelf gegraven, veelvuldig vertakte bouwen, met meerdere uitgangen. Men vindt de soort, dankzij het enorme aanpassingsvermogen, op de meest onmogelijke plaatsen. De bouw ligt tot drie meter diep, de totale lengte van de gangen kan ruim 40 meter zijn. Doordat konijnen zich vaak ophouden in stedelijke gebieden, op percelen met bomenaanplant, rondom nafta tanks, industrie gebieden, golfterreinen, bungalowparken en op begraafplaatsen kunnen of mogen de konijnen niet worden bejaagd met geweer. Het biedt de valkenier uitkomst. Een roofvogel werkt geruisloos, zonder gevaar voor omstanders of schade aan gebouwen en bomen. Jagen met roofvogels binnen de bebouwde kom is toegestaan.

De overlast

Konijnen kunnen zich enorm snel voortplanten: de jongen kunnen in hun geboortejaar al weer jongen krijgen. Daardoor kan het aantal dermate toenemen dat grote schade wordt aangericht. Vijf tot zeven konijnen gebruiken evenveel voedsel als een schaap. Ze hebben een voorkeur voor jonge planten.

Er zijn tal van vluchtgaten – bij een kolonie van 407 konijnen vond me er 2080 – met een loodrechte pijp om bij nood naar buiten te “springen”. Het resultaat is dijkvergraving, ondergraving van begraafplaatsen en sportvelden. Wie door zijn holte zakt, loopt het risico op botbreuken.

De oplossing

Bejaging met roofvogel en fret is bij uitstek een goede methode. Men noemt dit de ecologische jacht omdat de roofvogels de prooi anders bejagen dan geweerjagers en omdat deze vorm van jagen zonder geluidshinder en hagelschade gebeurt.